In het eerste levensjaar is een zeehond vatbaar voor longworminfecties. Na de zoogperiode gaan jonge zeehonden zelf op zoek naar prooi en in deze periode raken zij vaak geïnfecteerd. Een aantal van hen wordt zo ziek dat ze zonder hulp niet kan overleven. Longworm is een parasiet die veel schade kan aanrichten aan de longen: de wormen leven op longweefsel en baren er hun larven waardoor de longen steeds verder worden aangetast.

longworm 1De zeehond krijgt het benauwd en wordt vatbaar voor longontsteking en andere bacteriële infecties. Bovendien kan een zeehond die niet voldoende lucht krijgt niet lang onder water blijven en daardoor moeilijk jagen op voedsel. Het dier raakt verzwakt en kan overlijden.

Geïnfecteerde zeehonden gaan hoesten vanwege de benauwdheid. Bij dit hoesten worden microscopisch kleine larven opgehoest die de zeehond vervolgens ook weer inslikt. Via het spijsverteringskanaal komen deze larven uiteindelijk in zee terecht en daarmee in het voedsel voor kleine zeedieren. Deze dieren worden weer door anderen gegeten en uiteindelijk ook door de zeehond.

Vanuit de maag trekt de longworm door het lichaam van de zeehond naar de longen om daar larven te baren. Zo is de besmettingscirkel rond. Als een dier op tijd gevonden wordt kan het behandeld worden. Een zeehond met een longworm infectie is te herkennen aan verschijnselen als een moeizame ademhaling, hoge rug en een bebloede bek.

De gemiddelde opvang- periode van een zeehond met een longworminfectie is twee tot drie maanden. Wanneer een zeehond eenmaal genezen is, is hij verder resistent voor deze parasitaire infectie.

longworm 2