De laatste familie bevat slechts één soort: de walrus. Alle andere soorten in die familie zijn uitgestorven. Als er over walrussen gesproken wordt, gaat het dus om maar een soort: de walrus (Odobenus rosmarus). Walrussen leven vooral op de Noordpool maar komt ook wel in het subarctische gebied voor.

walrussen 1Walrussen zijn erg herkenbaar door hun dikke, korte snorharen en de grote slagtanden die uit hun bovenkaak groeien. Die slagtanden zijn uniek voor de walrus, geen andere vinpotigen hebben die. Ook hebben walrussen geen externe oorschelpen, wat ze dus met zeehonden gemeen hebben. Met hun voorflappen kunnen ze hun borstkas omhoogduwen en net als zeeleeuwen hebben ze achterflappen die ze naar voren kunnen buigen om zich beter op het land te bewegen. De vacht van walrussen is maar heel kort, waardoor het op het oog lijkt alsof ze kaal zijn. De mannetjes worden wat groter dan de vrouwtjes en krijgen wratachtige bulten op hun nek en borst naarmate ze ouder worden. Walrussen zijn vrij sociale dieren die tijdens het paarseizoen vaak in groepen voorkomen. Buiten het paarseizoen leven de mannetjes in grote groepen samen. Pups worden relatief lang door de moeders verzorgd. Na een draagtijd van ongeveer 15 maanden, blijft de pup minimaal twee jaar bij de moeder. Door de lange draagtijd en zoogperiode krijgt een walrus slechts iedere twee tot drie jaar een pup. Meestal is een walrus met tien jaar geslachtsrijp en de maximumleeftijd van een walrus is zo’n 40 jaar.

walrussen 2